maandag 15 februari 2016

Het Patatincident (Eijlders op Pad in Gent)



(Foto: Gust Peeters)

Er zijn dingen die je in Nederlandse geschiedenisboekjes niet leest, maar die in Vlaanderen op elke basisschool worden onderwezen. We schrijven 1830, de Belgische opstand. De legers van koning Willem I rukken op tot bij Brussel, om de muitende Belgen een gedenkwaardig pak op hun barstjansen te geven. Net op het moment dat dat aardig schijnt te lukken zegt prins Frederik tegen z’n broer: ‘Weet je wat, die Baron Chassé redt zich wel, wij gaan lekker een patatje halen!’

De negentiende-eeuwse dichter Marnix van Wytegaarde beschreef het voorval als volgt:

Zoo toogen zy, loyaal tot op ’t bot,
Gearmd naar ’t naastbyzynde frietenkot,
Was ’t Vaderland verdrietelyk verrascht:
Gent was verloren, Antwerpen in last!


De rest van het verhaal is bekend: de prinsen moesten, de mayonaise nog in de bakkebaarden, schoorvoetend aan hun vader gaan vertellen dat de grens voortaan bij vlak bezuiden Breda lag, Frankrijk lag ineens 150 kilometer verder, talentvolle architecten trokken massaal naar het noorden en dichtmiddagen groeiden uit tot evenementen van internationale allure.

Deze historische gebeurtenis werd gisteren dunnetjes overgedaan in Gent. Nog eer de eerste Nederlands-Vlaamse dichtmiddag goed en wel op gang was, riep een zekere Pommes W.: ‘Weet je wat, die Wijtgaard redt zich wel, wij gaan lekker een patatje halen!’, waarop de harde kern der Eijldersdichters op collegiale wijze de deur van café Le Bal Infernal achter zich dichttrok en zich, onder aanvoering van een ter plaatse bekende dichter en publicist, naar het dichtstbijzijnde frietkot spoedde.

Zodoende stond Wijtgaard er bijna alleen voor, tegen een horde wel zeer oproerige Vlamingen. Dat het allemaal toch nog goed afliep kwam door de rustgevende aanwezigheid van Paul Lokkerbob, die als een van de weinigen het uitstekend Belgisch bier moest laten staan (Paul bedankt, Paul bedankt, Paul, Paul, Paul bedankt), en door de stille diplomatie van Erika De Stercke, die bij haar volgende bezoek aan Amsterdam het Groot Ridderkruis van de Orde der Eijldersdichters opgespeld zal krijgen, inclusief alle bijbehorende versierselen.

Het was, kortom, gezellig. We hebben ons geen seconde verveeld. Daar was ook geen tijd voor. Er was niet eens tijd voor frites. Maar gelukkig was er mooie poëzie. En er waren boeken. En bier, veel bier. Het was de 440 kilometer rijden door het beestenweer, met lauwwarme koffie op ijskoude tankstations, meer dan waard. Al kwam de uitgelaten schoolreisjesstemming in de gehuurde bus maar moeizaam op gang, wellicht was de broeierige stilte tussen Wolff en Heij daar debet aan. Maar laten we niet stoken in een goed huwelijk.

Over stoken gesproken, tussen de vuige nevels en miezerregen van de veertiende februari leek het nog warmer dan het al was bij Le Bal Infernal. In combinatie met de Gruut Inferno, die we aan de Leie zijn wezen drinken, de acht of negen zware streekbieren die we achterover sloegen, alsmede de benevelende werking van de gedichten (staan onze zuiderburen immers niet bekend om hun voorliefde voor surrealisme?) leidde dat tot milde hallucinaties. Nee. Is er echt iemand helemaal van Vlieland naar Gent gereisd? Hebben we echt een wolf zien knielen achter een hond, tussen torren, beren, veen, hei en vijf eiken? Of maakt ons brein nu gevaarlijke kortsluiting?

In elk geval dank aan onze gastheren en -vrouw Bert Deben, Erika De Stercke, Philip Volckaert, Gust Peeters, Hubert Samson en Pierre Plum, en ook aan de organisatoren aan de Eijlderskant, Paul, Kees, Aurora, Mieke en Willem. Het was, als we het erotomane jargon van Kees G. mogen hanteren, een gedenkwaardige eerste keer. Bij de returnmatch mag Vlaanderen Boven.

Geen opmerkingen: