maandag 18 juli 2016
160718
Gisteren bij Eijlders tijdens de speciale Midzomer-dichtavond het gedicht De reisgenoot testgereden. Het is gebaseerd op de gelijknamige novelle (Il compagno de viaggio/Le compagnon de voyage) van Curzio Malaparte. Daarnaast de gedichten Johan, Mayerling (I) en Aaseters voorgelezen. Aaseters zal verschijnen in de verzamelbundel Als engel, maar met roofdierogen, die in 2017, ter gelegenheid van de 160e sterfdag van Charles Baudelaire, zal worden uitgegeven door stichting Spleen.
(Foto: Michiel Matthes)
De reisgenoot
Soldaten zijn soldaten, zelfs al zingen
ze in een nieuwe taal hetzelfde liedje.
Ze kennen onze kant van het verhaal,
en zullen ongevraagd, zonder bezwaar,
hun drank en sigaretten met ons delen.
Ze hebben net als wij leren marcheren,
gehoorzamen onzinnige bevelen
en moeten zich naar om het even waar
laten versjouwen door verdwaalde ezels
die als het erop aankomt deserteren.
Kom op, ik breng je thuis, hun frontlijn heeft
ons ingehaald en als ze straks vertrekken
kan de kermis weer opnieuw beginnen:
de laaielichters, zwendelaars en pooiers
hebben hun ouwe stek al ingenomen
en drinken op een mooie nederlaag.
Vanavond zullen we de generaals
als hammen aan de straatlantarens hangen,
morgen versjacheren we onze vrouwen
voor zakken haver op de zwarte markt,
maar eerst breng ik je thuis. Je was de laatste
aan wie ik nog een schuld heb in te lossen.
Je oorlog is voorbij, de hufters zijn
terug en alles is weer bij het oude,
het is niet eens de moeite om te drossen.
gehoorzamen onzinnige bevelen
en moeten zich naar om het even waar
laten versjouwen door verdwaalde ezels
die als het erop aankomt deserteren.
Kom op, ik breng je thuis, hun frontlijn heeft
ons ingehaald en als ze straks vertrekken
kan de kermis weer opnieuw beginnen:
de laaielichters, zwendelaars en pooiers
hebben hun ouwe stek al ingenomen
en drinken op een mooie nederlaag.
Vanavond zullen we de generaals
als hammen aan de straatlantarens hangen,
morgen versjacheren we onze vrouwen
voor zakken haver op de zwarte markt,
maar eerst breng ik je thuis. Je was de laatste
aan wie ik nog een schuld heb in te lossen.
Je oorlog is voorbij, de hufters zijn
terug en alles is weer bij het oude,
het is niet eens de moeite om te drossen.
Aaseters
'Et pourtant vous serez semblable à cette ordure'
Charles Baudelaire
Wanneer je langs de weg stuit op een overschot
dat, gistend in de middaghitte,
door vale kraaien kaalgepikt tot op het bot,
vol ongedierte blijkt te zitten,
word je allicht door sentimenten meegesleurd
van afkeer en van medeleven,
omdat je zelf ooit sterven moet en op jouw beurt
aan dat gespuis bent prijsgegeven.
Wat moet zo'n kreng beginnen met je rouwbeklag?
Het is allang aan gene zijde
waar het, wanneer je de experts geloven mag,
geen baat heeft van ons medelijden.
Bedenk, als je ontzet naar het kadaver staart
dat door de maden wordt verslonden:
we zijn zolang we leven (en naar onze aard)
meer met die aaseters verbonden.
Zet je over je walging heen en onderdruk
je eigenwaan en dure woorden,
kijk naar de hond die, vechtend om het grootste stuk,
zijn soortgenoten zou vermoorden.
Dit zijn onze verwanten, ze zijn net als jij,
de larven en de vette vliegen,
de lijkenpikkers, wroetend in de laffe brij -
want hoe we ook onszelf bedriegen,
ze zijn ons evenbeeld en onze disgenoot,
smerig, obsceen en volgevreten,
feestend op een karkas dat, uitgewoond en dood,
van ons geen donder meer wil weten
Johan
'Johan, als je nou je bek niet houdt,
dan krijg je een keu in je reet.'
Tscheu La Ling
Natuurlijk, Johan is een parasiet,
een bloedzuiger die dikke builen maakt,
die in gezelschap onvermoeibaar zoemend
in de overbelaste zenuw boort,
de zeikerd waar je 's nachts van wakker schiet
omdat je in je slaap zijn stem nog hoort.
Toch moet je niet zo boos doen tegen Johan:
hij heeft een rol in onze biotoop,
zoals in elke achtertuin een plaats is
voor wat je onder platte stenen vindt,
broodnodig om de mezen mee te voeren
als onverhoopt de pindavoorraad slinkt.
Natuurlijk, Johan is een parasiet,
een Judas met een uitgekiend instinct
voor leugens, machinaties en verraad,
een onderkruiper, likkend naar de top,
een mug, in de beschutting van je rug
tot elke lage smerigheid in staat.
Denk na voordat je Johan op een dag
met het nieuws van gisteren verplettert.
Hij is er een die vlekken achterlaat.
dan krijg je een keu in je reet.'
Tscheu La Ling
Natuurlijk, Johan is een parasiet,
een bloedzuiger die dikke builen maakt,
die in gezelschap onvermoeibaar zoemend
in de overbelaste zenuw boort,
de zeikerd waar je 's nachts van wakker schiet
omdat je in je slaap zijn stem nog hoort.
Toch moet je niet zo boos doen tegen Johan:
hij heeft een rol in onze biotoop,
zoals in elke achtertuin een plaats is
voor wat je onder platte stenen vindt,
broodnodig om de mezen mee te voeren
als onverhoopt de pindavoorraad slinkt.
Natuurlijk, Johan is een parasiet,
een Judas met een uitgekiend instinct
voor leugens, machinaties en verraad,
een onderkruiper, likkend naar de top,
een mug, in de beschutting van je rug
tot elke lage smerigheid in staat.
Denk na voordat je Johan op een dag
met het nieuws van gisteren verplettert.
Hij is er een die vlekken achterlaat.
woensdag 6 april 2016
Excuuspoëzie
Aan de overkant ligt, nijver walmend, het fonkelnieuwe industriegebied. Aan deze kant van de rivier leggen grommende bulldozers de laatste hand aan het stuk 'nieuwe natuur', dat ter compensatie van de onherstelbare schade is aangelegd. Tevreden overziet de projectleider zijn werk. De highlandkoetjes grazen, de eerste wilgen zijn geplant en de gedeputeerde die de feestelijke opening zal verrichten heeft een roerende toespraak beloofd. In het versgegraven meertje is zelfs al een fuut gesignaleerd. En toch, toch knaagt er iets, toch is er iets dat hij vergeten is, al kan hij er de vinger niet op leggen. 's Nachts schiet hij met een ruk wakker. Ineens weet hij wat er aan zijn natuurgebied ontbreekt: er is nog geen gedicht!
Net als ik leest of schrijft u graag een gedicht. Anders zou u deze website niet bezoeken. En omdat de poëzie ons na aan het hart ligt, doen we er alles aan om haar te bevorderen en te behouden. Maar laten we eerlijk zijn: de afgelopen jaren is er een buitenissige wildgroei ontstaan van poëzie in de openbare ruimte. Het begon met de muurgedichten in Leiden. Een mooi initiatief. Is het niet aardig om tussen de patat- en dieselmeur van de Breestraat omhoog te kijken en een gedicht van, pakweg, Neruda te lezen? (Voor de broodnodige ondertiteling is er goddank een website.)
Het kon niet uitblijven dat het idee ook elders aan zou slaan, en zo zijn er tegenwoordig muurgedichten in plaatsen als Haarlem, Den Bosch en Nunspeet. Maar het gaat verder: je kunt onderhand geen wandeling of fietstocht meer maken buiten de bebouwde kom, zonder dat je ook daar met gedichten wordt bestookt. Kademuren, gemalen, tunneltjes en transformatorhuisjes: overal word je om de oren geslagen met goedbedoelde poëzie.
Waar geen muur is worden de gedichten aangebracht op een paneel van plexiglas, of met snijbranders uit een stuk roestig plaatijzer gezaagd. Vooral in natuurgebieden neemt het gênante vormen aan. In hun educatiedrang nemen de beheerders geen genoegen meer met informatieborden over het broedgedrag van de kwak, inmiddels werpen ze zich ook op als ons literair geweten. Zodoende wordt elke rivierdijk, ieder moeras, elke veenweide voorzien van een gedicht. Het is een dwangneurose.
Vaak betreft het een hoogdravend poëem van de lokale verzensmid. (Dat de dichter hiervoor op z'n hoogst een bos bloemen ontvangt spreekt voor zich: gedichten zijn per definitie gratis. De échte kluiten zijn inmiddels overgemaakt aan een beeldend kunstenaar, voor de bronzen sculptuur van altijd weer dezelfde polderwerker, of een abstracte installatie die zachtjes klingelt in de wind.) Het is ook niet ongebruikelijk dat er een min of meer toepasselijk gedicht van Herman Gorter, Hans Andreus of Ida Gerhardt tegenaan wordt gekwakt.
Die gedichten moeten voldoen aan een aantal strikte voorwaarden. Ten eerste moet sprake zijn van wind en wolken. Als er een waterpartij is worden de wolken geacht zich daarin te spiegelen. Er moeten bomen zijn, of op z'n minst rietkragen, die kunnen ruisen of wuiven, liefst met hun pluimen. Natuurlijk is ook aan de fauna gedacht: bij voorkeur vogels, die een gevoel van ruimte en vrijheid moeten vertegenwoordigen. Merk op dat die vogels altijd zwanen zijn, nooit eenden.
Maar moeten we niet blij zijn? Zie je dan liever reclameborden? Is het niet juist geweldig dat poëzie op zo'n positieve en grootschalige wijze onder de aandacht wordt gebracht? Nee. De versjespest die onze buitengebieden teistert, leidt tot een gevaarlijke inflatie van de poëzie. Van de natuurbeheerders die de gedichten plaatsen (en de recreanten die ze lezen) zijn er maar bar weinig die af en toe een bundel openslaan, laat staan dat ze er een zouden kopen. Het is het literaire equivalent van 'nieuwe natuur': een halfhartig goedmakertje, een schrale compensatie voor het pathetische, vrijblijvende en demotiverende poëzieonderwijs op de scholen, voor het volkomen gebrek aan belangstelling dat ze in hun dagelijks leven tonen voor dichters en hun werk.
Het heeft iets streberigs: niet alleen worden we geacht om er zoiets als een 'natuurbeleving' op na te houden, we moeten daarbij ook precies het juiste gedicht lezen, om vervolgens met een plechtig gezicht te kunnen vaststellen dat de pluimen inderdaad wuivend ruisen en dat, kortom, alles naar behoren verloopt. Dat soort sturing is nergens voor nodig. Het is arrogant en opdringerig. Donder op met je perspex panelen. Bespaar ons je lyriek. Dat die wolken zich spiegelen zien we zelf ook wel. Of misschien zien we iets heel anders, zullen we dat zelf nog eens weten? Steek dat belerende vingertje in je reet en laat de mensen ongestoord van de natuur genieten. Dan maken we er zelf wel poëzie van.
En laat goddomme ook die muren een keer met rust. Soms zegt een baksteen meer dan duizend gedichten.
(Verschenen als column op Pomgedichten, maandag 4 april.)
zondag 20 maart 2016
Kutzwager
Het was een bikkelharde veldslag die we allebei verloren,
toen we aanspraak maakten op hetzelfde strookje niemandsland.
Laten we mijn sigaretten en jouw vleesrantsoenen delen
bij het feestmaal voor ons geïmproviseerde kerstbestand.
Dat we beurtelings verraden werden door dezelfde vrouw
is geen aanleiding voor vuistgevechten, wraak of represailles,
we scheurden repen van haar lakens die we droegen als medailles
voor beledigingen, moedwil en bewezen kwaaie trouw.
We zullen samen schamper lachen in de veteranenkroegen,
vergelijken onze wonden alsof we vergeten zijn
hoe we naar beschutting zochten en dezelfde krater vonden
bij onze verkenningstochten in vijandelijk terrein.
We zullen een paar flessen delen (ook al worden we geen vrienden),
na afloop zal ik zeggen dat je op mijn kosten drinkt
en we zullen ons verzoenen, want we zijn maar oudgedienden,
stomtoevallig aan weerszijden van hetzelfde front verminkt.
toen we aanspraak maakten op hetzelfde strookje niemandsland.
Laten we mijn sigaretten en jouw vleesrantsoenen delen
bij het feestmaal voor ons geïmproviseerde kerstbestand.
Dat we beurtelings verraden werden door dezelfde vrouw
is geen aanleiding voor vuistgevechten, wraak of represailles,
we scheurden repen van haar lakens die we droegen als medailles
voor beledigingen, moedwil en bewezen kwaaie trouw.
We zullen samen schamper lachen in de veteranenkroegen,
vergelijken onze wonden alsof we vergeten zijn
hoe we naar beschutting zochten en dezelfde krater vonden
bij onze verkenningstochten in vijandelijk terrein.
We zullen een paar flessen delen (ook al worden we geen vrienden),
na afloop zal ik zeggen dat je op mijn kosten drinkt
en we zullen ons verzoenen, want we zijn maar oudgedienden,
stomtoevallig aan weerszijden van hetzelfde front verminkt.
zondag 13 maart 2016
Judge, jury and executioner
Deze week gevraagd om bij de wekelijkse zondagochtendwedstrijd op Pomgedichten.nl als gastvoorzitter op te treden. Dat was hard werken en erg lachen. Uiteindelijk kreeg Joz Knoop goud, Jako Fennek zilver, Cartouche brons en was er een eervolle vermelding voor Erika De Stercke.
donderdag 10 maart 2016
Insomnia
De angsten waar je niet bij stil wilt staan,
die je bij daglicht simpel kunt verjagen,
zetten hun uitgekookte hinderlagen
bij voorkeur even voor het slapengaan.
Klaarwakker moet je weerwerk bieden aan
paniek en ongelegen levensvragen,
ten prooi aan je totaal op hol geslagen
hypochondrie en achtervolgingswaan.
Terwijl je dapper poogt de slaap te vatten
staan kastekorten, kwelduivels en kiespijn
met opgestroopte mouwen rond je bed,
luidruchtig en ongrijpbaar als de ratten
die in het donker knagen en actief zijn,
maar spoorloos zijn als je het licht aanzet.
die je bij daglicht simpel kunt verjagen,
zetten hun uitgekookte hinderlagen
bij voorkeur even voor het slapengaan.
Klaarwakker moet je weerwerk bieden aan
paniek en ongelegen levensvragen,
ten prooi aan je totaal op hol geslagen
hypochondrie en achtervolgingswaan.
Terwijl je dapper poogt de slaap te vatten
staan kastekorten, kwelduivels en kiespijn
met opgestroopte mouwen rond je bed,
luidruchtig en ongrijpbaar als de ratten
die in het donker knagen en actief zijn,
maar spoorloos zijn als je het licht aanzet.
maandag 29 februari 2016
Luyckx
Naarmate je ouder wordt, komen onwrikbare zekerheden meer en meer op losse schroeven te staan. Van mijn eerste reis naar Polen herinner ik me dat ik verrast was omdat er bomen groeiden, bloemen langs de weg stonden en de huizen bont geschilderd waren. In mijn verbeelding speelde het hele leven in het Oostblok zich af in zwart-wit. Kleuren had ik me er niet bij voorgesteld.
Natuurlijk werd dat vooroordeel vooral bepaald door televisie en films. De beelden die ons van Oost-Europa werden voorgeschoteld, waren zonder uitzondering grauw en duister. De vervallen straten en lugubere prefab-flats (Slotermeer, iemand?) werden over de volle breedte van het scherm uitgesmeerd. Opvallend is ook dat de beelden zonder uitzondering in een urbane setting waren geschoten: een platteland van golvend graan en blozende boerinnen leek alleen in Sovjet-propaganda te bestaan.
Natuurlijk waren (en zijn) er in Oost-Europa voldoende grauwe, vervallen straten te vinden (in Glasgow en Detroit heb je die niet), maar zelfs in de donkerste Brezjnev-jaren was het er niet het monochrome maanlandschap dat we op de buis te zien kregen. De voor de hand liggende conclusie is dat ook aan onze kant van propaganda sprake was.
Een van de grote kampioenen van dit soort hersenspoeling was onze economieleraar, dhr. Luyckx. Hij was een uilskuiken zonder weerga, van lesgeven had hij geen kaas gegeten. Daarom besteedde hij een groot deel van zijn tijd aan zeiken tegen leerlingen (en collega’s) met progressieve opvattingen.
Hij was een keertje, jaren geleden, in de DDR geweest. Met zichtbaar genoegen vertelde hij zijn spookverhalen over lange rijen gedesillusioneerde huisvrouwen voor winkels met halflege schappen, waarin enkel inferieure producten lagen. Boven die rijen hingen onveranderlijk grote rode spandoeken met propagandaleuzen.
Vanwege zijn persoonlijke voorkeuren was hij zeer bevreesd voor een communistische inval. ‘Ooooo! Als de Russen kooooomen’, oreerde Luyckx, ‘dan zetten ze mij als eeeeerste tegen de muuuuur!’ Blijkbaar besefte hij niet dat hij ons met die belofte recht in de armen van de marxistische heilsleer dreef.
Zou hij nog leven, onze Luyckx? Dertig jaar na zijn stichtende betogen moet ik soms aan hem denken. Vooral wanneer ik zie hoeveel van zijn socialistische nachtmerrie inmiddels alledaagse praktijk is geworden. Niet in Irkoetsk of Bratislava, maar gewoon in Bos en Lommer.
Halflege schappen, inferieure producten, rode spandoeken met wervende leuzen: ze zijn er allemaal. Toch moeten we de directie van Dirk van den Broek nageven dat het een gouden idee was om de lange rijen gedesillusioneerde huisvrouwen te overdekken, en hun dystopische winkelervaring een ‘supermarkt’ te noemen. Dergelijke vooruitgang moeten we zonder meer op het conto van het kapitalisme schrijven.
In een vlaag van Ostalgische nieuwsgierigheid ben ik laatst weer eens bij Dirk wezen kijken. Stiekem hoopte ik er een pot Spreewaldgurken te vinden. Of Bautzener Senf. Of Kofola. Maar Luyckx heeft gelijk gekregen: het was allemaal niet te krijgen.
zondag 21 februari 2016
Mayerling
I
Om een keizerrijk te laten vallen
volstaan drie kogels en een rattenstaart,
de morbide weeffout in je bloed
en een terrein om op groot wild te knallen.
Kies een ambitieuze reisgenoot,
een begeleidster voor de jachtpartij,
te dweepziek om je naar de weg te vragen.
Aan alles is gedacht: voor wie per se
een treurspel schrijven wil waarin de held
haar een decor van bordkarton belooft,
pralines voert en schmiert totdat 'ie haar
zijn loden bruidsschat door de kop mag jagen,
ligt er een stapel lege vellen klaar.
Het briefpapier is smal, de kranten nemen
voor wat je hebt vergeten te vermelden
de volle breedte van de boulevard.
II
Om met de grote jongens mee te spelen
moet je je laatste woorden redigeren,
we hebben in de slotscènes geen tijd
voor toespraken op handgeschepte vellen.
We moeten aan je recensenten denken
die, in geairconditionede archieven
op zoek naar wat warmbloediger vermaak,
verlekkerd grutten in je afscheidsbrieven,
geërgerd je gehaaste krabbels spellen,
ze gul voorzien van rode potloodstrepen,
en zure [sic!]jes in de kantlijn schrijven,
die met hun smetteloos geschoeide jatten
nog pulken aan de slecht genezen wond
en zullen blijven spitten in het gat
waarin je met een bezem in je lijf
bent weggemoffeld als een dooie hond.
Om een keizerrijk te laten vallen
volstaan drie kogels en een rattenstaart,
de morbide weeffout in je bloed
en een terrein om op groot wild te knallen.
Kies een ambitieuze reisgenoot,
een begeleidster voor de jachtpartij,
te dweepziek om je naar de weg te vragen.
Aan alles is gedacht: voor wie per se
een treurspel schrijven wil waarin de held
haar een decor van bordkarton belooft,
pralines voert en schmiert totdat 'ie haar
zijn loden bruidsschat door de kop mag jagen,
ligt er een stapel lege vellen klaar.
Het briefpapier is smal, de kranten nemen
voor wat je hebt vergeten te vermelden
de volle breedte van de boulevard.
II
Om met de grote jongens mee te spelen
moet je je laatste woorden redigeren,
we hebben in de slotscènes geen tijd
voor toespraken op handgeschepte vellen.
We moeten aan je recensenten denken
die, in geairconditionede archieven
op zoek naar wat warmbloediger vermaak,
verlekkerd grutten in je afscheidsbrieven,
geërgerd je gehaaste krabbels spellen,
ze gul voorzien van rode potloodstrepen,
en zure [sic!]jes in de kantlijn schrijven,
die met hun smetteloos geschoeide jatten
nog pulken aan de slecht genezen wond
en zullen blijven spitten in het gat
waarin je met een bezem in je lijf
bent weggemoffeld als een dooie hond.
maandag 15 februari 2016
Het Patatincident (Eijlders op Pad in Gent)
(Foto: Gust Peeters)
Er zijn dingen die je in Nederlandse geschiedenisboekjes niet leest, maar die in Vlaanderen op elke basisschool worden onderwezen. We schrijven 1830, de Belgische opstand. De legers van koning Willem I rukken op tot bij Brussel, om de muitende Belgen een gedenkwaardig pak op hun barstjansen te geven. Net op het moment dat dat aardig schijnt te lukken zegt prins Frederik tegen z’n broer: ‘Weet je wat, die Baron Chassé redt zich wel, wij gaan lekker een patatje halen!’
De negentiende-eeuwse dichter Marnix van Wytegaarde beschreef het voorval als volgt:
Zoo toogen zy, loyaal tot op ’t bot,
Gearmd naar ’t naastbyzynde frietenkot,
Was ’t Vaderland verdrietelyk verrascht:
Gent was verloren, Antwerpen in last!
De rest van het verhaal is bekend: de prinsen moesten, de mayonaise nog in de bakkebaarden, schoorvoetend aan hun vader gaan vertellen dat de grens voortaan bij vlak bezuiden Breda lag, Frankrijk lag ineens 150 kilometer verder, talentvolle architecten trokken massaal naar het noorden en dichtmiddagen groeiden uit tot evenementen van internationale allure.
Deze historische gebeurtenis werd gisteren dunnetjes overgedaan in Gent. Nog eer de eerste Nederlands-Vlaamse dichtmiddag goed en wel op gang was, riep een zekere Pommes W.: ‘Weet je wat, die Wijtgaard redt zich wel, wij gaan lekker een patatje halen!’, waarop de harde kern der Eijldersdichters op collegiale wijze de deur van café Le Bal Infernal achter zich dichttrok en zich, onder aanvoering van een ter plaatse bekende dichter en publicist, naar het dichtstbijzijnde frietkot spoedde.
Zodoende stond Wijtgaard er bijna alleen voor, tegen een horde wel zeer oproerige Vlamingen. Dat het allemaal toch nog goed afliep kwam door de rustgevende aanwezigheid van Paul Lokkerbob, die als een van de weinigen het uitstekend Belgisch bier moest laten staan (Paul bedankt, Paul bedankt, Paul, Paul, Paul bedankt), en door de stille diplomatie van Erika De Stercke, die bij haar volgende bezoek aan Amsterdam het Groot Ridderkruis van de Orde der Eijldersdichters opgespeld zal krijgen, inclusief alle bijbehorende versierselen.
Het was, kortom, gezellig. We hebben ons geen seconde verveeld. Daar was ook geen tijd voor. Er was niet eens tijd voor frites. Maar gelukkig was er mooie poëzie. En er waren boeken. En bier, veel bier. Het was de 440 kilometer rijden door het beestenweer, met lauwwarme koffie op ijskoude tankstations, meer dan waard. Al kwam de uitgelaten schoolreisjesstemming in de gehuurde bus maar moeizaam op gang, wellicht was de broeierige stilte tussen Wolff en Heij daar debet aan. Maar laten we niet stoken in een goed huwelijk.
Over stoken gesproken, tussen de vuige nevels en miezerregen van de veertiende februari leek het nog warmer dan het al was bij Le Bal Infernal. In combinatie met de Gruut Inferno, die we aan de Leie zijn wezen drinken, de acht of negen zware streekbieren die we achterover sloegen, alsmede de benevelende werking van de gedichten (staan onze zuiderburen immers niet bekend om hun voorliefde voor surrealisme?) leidde dat tot milde hallucinaties. Nee. Is er echt iemand helemaal van Vlieland naar Gent gereisd? Hebben we echt een wolf zien knielen achter een hond, tussen torren, beren, veen, hei en vijf eiken? Of maakt ons brein nu gevaarlijke kortsluiting?
In elk geval dank aan onze gastheren en -vrouw Bert Deben, Erika De Stercke, Philip Volckaert, Gust Peeters, Hubert Samson en Pierre Plum, en ook aan de organisatoren aan de Eijlderskant, Paul, Kees, Aurora, Mieke en Willem. Het was, als we het erotomane jargon van Kees G. mogen hanteren, een gedenkwaardige eerste keer. Bij de returnmatch mag Vlaanderen Boven.
maandag 25 januari 2016
160125
Twee columns, allebei met bijbehorend gedicht. 'Weg met nieuwjaarsdag!' verscheen op 4 januari op de Pom, 'Mayerling' werd vandaag geplaatst. Mocht u zich, naar aanleiding van het gedicht 'Mayerling (II)' afvragen waar het gedicht 'Mayerling (I)' te vinden is, dan luidt het korte, bondige antwoord: 'in de steigers'.
Mayerling
Het is een bekend gegeven: banken vergaren steeds meer geld. Zoedoende raken ze langzaam vol. Daarom moeten ze, net als gewone stervelingen, af en toe grote schoonmaak houden en ruimte scheppen. Afgelopen zomer werd bij zo'n opruimactie in de Schoellerbank, niet ver van de Weense Hofburg, een leren map gevonden met Lebensdokumente, brieven en foto's van de familie Vetsera. De vondst leidde in Oostenrijk tot een kleine sensatie, want de band, die in 1926 'door een onbekende persoon' werd gedeponeerd, bevatte de verloren gewaande afscheidsbrieven van barones Mary von Vetsera, de 17-jarige maîtresse van de Oostenrijkse kroonprins Rudolf.
Mary en Rudolf sloten in 1889 een mysterieus zelfmoordpact dat de geschiedenis is ingegaan als het Mayerling-incident of het Mayerlingdrama*, naar het jachtslot waar het tweetal dood werd gevonden. Je zou kunnen zeggen dat de dubbele zelfmoord een keerpunt in de geschiedenis betekende. Rudolf was de enige zoon van keizer Franz-Joseph, waardoor de troonopvolging drastisch op de schop moest. Denk nou niet dat er ineens een zus van Rudolf op de troon zou komen: in eerste instantie werd Rudolfs oom naar voren geschoven, en in 1896 zijn volle neef Franz-Ferdinand, die op zijn beurt in 1914 werd vermoord, wat de min of meer rechtstreekse aanleiding werd voor de eerste wereldoorlog.
Het Mayerling-incident is niet alleen door zijn politieke 'consequenties' interessant. Vermoedelijk was het de eerste keer dat een gebeurtenis aan het hof op zo'n grote schaal leidde tot wilde speculaties. Rudolf leed al langer aan Stimmungsschwankungen. (Hij schijnt een maand eerder zelfs een soortgelijk zelfmoordpact te hebben voorgesteld aan de actrice Mizzi Kaspar, zijn andere minnares.) Algemeen wordt aangenomen dat hij eerst de barones een kogel door het hoofd joeg en daarna zichzelf.
Toen het stel eenmaal gevonden was, werd van alles in het werk gesteld om het schandaal te verbergen. In het holst van de nacht werden Mary's ooms opgetrommeld om haar lijk zo discreet mogelijk te verwijderen. Volgens de overlevering werd ze tussen haar ooms in een rijtuig gezet, met een bezemsteel in haar jasje zodat ze rechtop zou blijven zitten. Ze werd in allerijl begraven bij de Cisterciënzer abdij in Heiligenkreuz.
Het lichaam van Rudolf werd opgebaard in de Hofburg. Volgens de officiële lezing was hij overleden aan een hartstilstand. Dat bleek lastig vol te houden toen buitenlandse journalisten de ware toedracht van zijn dood ontdekten. Het heeft nog flink wat moeite gekost om de zelfmoordenaar in de gewijde keizerlijke grafkelder te laten bijzetten. Uiteindelijk moest er een dispensatie van het Vaticaan aan te pas komen, waarin werd verklaard dat hij 'geestelijk onevenwichtig' was.
Het geheimzinnige gedoe rondom het incident leidde tot een stortvloed van complottheorieën die amper uit elkaar te houden zijn. Moord, zelfmoord, een fatale ruzie, een mislukte abortus, een vergiftiging - er is zelfs een versie van het verhaal waarin de kroonprins en zijn vriendinnetje door vrijmetselaars zouden zijn omgelegd. Het graf van Mary werd nog driemaal geopend. De laatste keer, in 1991, gebeurde dat illegaal door een zekere Helmut Flatzelsteiner**, een meubelhandelaar uit Linz, die op eigen houtje een sectie op het skelet liet uitvoeren.
Door de vondst van de brieven lijkt de algemeen aanvaarde moord-zelfmoordlezing te worden ondersteund. Wie niet gelooft in een fatale combinatie van romantische Schwärmerei en mentale instabiliteit komt met de brieven zelf niet heel veel verder. Het zijn maar een paar gehaaste kladjes, met hier en daar een spelfout, op briefpapier van het jachtslot:
'Liebe Mutter - Verzeih mir was ich gethan. - Ich konnte der Liebe nicht wiederstehen. In Übereinstimmung mit Ihm will ich neben Ihm im Friedhof von Alland begraben sein. - Ich bin glügklicher im Tod als im Leben.'
Van het Habsburgse keizerrijk is niet veel meer over dan een kleine republiek. Het keizerlijk huis is gereduceerd tot een familie van adellijke politici en zakenlui. Rudolfs vrouw Stéphanie, met wie hij een opgedrongen en ongelukkig huwelijk had, hertrouwde in 1900 en is in Hongarije begraven. Er lijkt geen gegronde reden te zijn om Mary's laatste wens niet alsnog te respecteren. Maar het kerkhof van Alland wacht nog steeds op de illustere gasten.
*) Voor de liefhebbers van Elsschot voegen we daar nog aan toe: Mayerlingdraak, Mayerlingkwestie, Mayerlingroman, Mayerlingbeproeving, Mayerlingwond.
**) Ik kan het ook niet helpen.
Mayerling (II)
Om met de grote jongens mee te spelen
moet je je laatste woorden redigeren,
we hebben in de slotscènes geen tijd
voor toespraken op handgeschepte vellen.
We moeten aan je recensenten denken
die, in geairconditionede archieven
op zoek naar wat warmbloediger vermaak,
verlekkerd grutten in je afscheidsbrieven,
geërgerd je gehaaste krabbels spellen,
ze gul voorzien van rode potloodstrepen,
en zure [sic!]jes in de kantlijn schrijven,
die met hun smetteloos geschoeide jatten
nog pulken aan een slecht genezen wond
en zullen blijven spitten in het gat
waarin je met een bezem in je lijf
bent weggemoffeld als een dooie hond.
maandag 4 januari 2016
Weg met nieuwjaarsdag!
Het is te hopen dat u een gezonde slaper bent. Zo niet, dan kent u ze ongetwijfeld. Omdat er in geen enkele taal een woord voor schijnt te wezen noemen we ze, met uw welnemen, De Spoken van Vier Uur. Het zijn de kwelgeesten waarover Bloem het heeft:
Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood
De Spoken schijnen een voorkeur te hebben voor de nanacht, de uren vlak voor zonsopgang. In de geest van de rechtgeaarde insomniac wakkert het minste kuchje aan tot open TB, wordt ieder spierpijntje opgeblazen tot een tumor zo groot als een tennisbal en leidt de aanschaf van een iets te duur boek tot een budgettair Tsjernobyl, met verlies van have en goed als gevolg. Uren later, wanneer het daglicht door de ramen valt, een hete douche en dito koffie hun stichtende werk hebben verricht, blijkt het allemaal best mee te vallen. De kuchjes zijn verdwenen. De tumor wordt een maandje uitgesteld. Met een beetje mazzel komen er zelfs nog flappen uit de automaat.
Uiteindelijk went alles. Als je het riedeltje met die Spoken zo'n vier à vijfduizend keer hebt afgedraaid kun je ze begroeten als oude bekenden. Word je in het holst van de nacht geplaagd door hypochondrie, paranoïa of pessimisme, dan volstaat een blik op de wekker. Je zult zien dat het vier uur is. Ja hoor, daar zijn de Spoken weer. Kom erin Spoken, pak een stoel, bouw een mooi feessie. Ondertussen draai je je nog even om en slaapt lekker verder tot de wekker gaat. Natuurlijk: op een dag ben je werkelijk de klos, krijg je die beroerte of dat gezwel. Tegen die tijd is het vroeg genoeg om je sappel te maken.
Met oud en nieuw is iets soortgelijks aan de hand. Natuurlijk kun je jezelf wijsmaken dat nieuwjaarsdag een vrijdagmorgen is als alle andere. (Zeg eerlijk: hoe vaak heb je jezelf op, laten we zeggen, 1 oktober pas rond vier uur 's middags horen opmerken: 'Hee kut, het is alweer oktober joh!') Maar de traditie wil dat we tussen december en januari een mentale cesuur aanbrengen die we, godbetert, ook nog moeten gebruiken voor contemplatie en evaluatie. Helaas hebben we daarvoor rond de kerstdagen alle tijd. Als je een beetje pech hebt woon je zelfs op het noordelijk halfrond, en ben je voor die bespiegelingen aangewezen op de donkerste periode van het jaar.
De gevolgen liggen voor de hand. Bij het evalueren van het oude jaar worden de mislukkingen en niet gehaalde doelen uitvergroot tot bovenmenselijke proporties. En in de schemer van een decembermiddag lijkt het nieuwe jaar griezelig lang en onheilspellend. Breed grijnzend, flûte in de hand, wensen we elkaar een gelukkig nieuwjaar en denken ondertussen: in tyfusnaam, laat dit niet het jaar zijn van het massieve infarct, het fatale ongeluk, van de echtscheiding of het niet-zo-leuke-nieuwtje van de oncoloog.
Tot overmaat van ramp is de eerste januari een vrije dag. Een van de weinige vrije dagen, ook nog, waarop het hele openbare leven stil ligt, de consumptiemolen stagneert, waarop we bovendien, in het gunstigste geval, onuitgeslapen en mild bekaterd zijn en, kortom, beroofd van alle wapens waarmee we onszelf normaal gesproken besodemieteren. Om Philip Larkin nou maar eens aan te halen, we
[...] sense the solving emptiness
That lies just under all we do,
And for a second get it whole,
So permanent and blank and true.
Kort en goed, die vrije dag op 1 januari, daar zit niemand op te wachten. En om het een feestdag te noemen is helemáál vergezocht. Hebt u ooit op nieuwjaarsdag een popfestival bijgewoond, over een vrijmarkt gestruind of deelgenomen aan reidansen en defilé's? Nee. Net als ieder ander ligt u op 1 januari te lang in bed, verveelt u zich de pleuris en bent u maar wat dankbaar zodra de tredmolen weer begint en er geen tijd meer is voor morbide overwegingen. Laten we de vrije nieuwjaarsdag inleveren en er een mooie, zonnige voorjaarsdag voor in de plaats nemen. Natuurlijk, het is vervelend om met een katertje naar de zaak te gaan. Maar dat doet u op 28 april immers ook, en geen baas is ooit op het idee gekomen om dáárvoor een vrije dag te geven.
Nieuwjaarsdag
Zo'n nieuwjaarsdag is zonde van de tijd,
een dag van vuile nevels, sneeuw of regen,
om katerig de asbakken te legen,
je te wentelen in ledigheid
en, alle goede voornemens ten spijt,
nog éénmaal tot bij drieën uit te slapen
om niet meteen met Wenerzangerknapen
of schansspringen te worden gekastijd.
De nieuwsdienst blijft de hele dag gewijd
aan dronkenschap en afgerukte handen,
uit de hand gelopen kerstboombranden,
vuistgevechten en losbandigheid.
Geen postbode, geen krant bij het ontbijt,
ook buiten is het somber en verlaten:
oud glas en rode modder in de straten;
de buurman is zijn Duitse herder kwijt.
Een feestdag zonder vreugde of jolijt,
een dag voor slappe thee en aspirine.
een dag om stilletjes te zitten grienen:
zo'n nieuwjaarsdag is zonde van de tijd.
Abonneren op:
Posts (Atom)





