Posts tonen met het label Columns. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Columns. Alle posts tonen

woensdag 6 april 2016

Excuuspoëzie


Aan de overkant ligt, nijver walmend, het fonkelnieuwe industriegebied. Aan deze kant van de rivier leggen grommende bulldozers de laatste hand aan het stuk 'nieuwe natuur', dat ter compensatie van de onherstelbare schade is aangelegd. Tevreden overziet de projectleider zijn werk. De highlandkoetjes grazen, de eerste wilgen zijn geplant en de gedeputeerde die de feestelijke opening zal verrichten heeft een roerende toespraak beloofd. In het versgegraven meertje is zelfs al een fuut gesignaleerd. En toch, toch knaagt er iets, toch is er iets dat hij vergeten is, al kan hij er de vinger niet op leggen. 's Nachts schiet hij met een ruk wakker. Ineens weet hij wat er aan zijn natuurgebied ontbreekt: er is nog geen gedicht!

Net als ik leest of schrijft u graag een gedicht. Anders zou u deze website niet bezoeken. En omdat de poëzie ons na aan het hart ligt, doen we er alles aan om haar te bevorderen en te behouden. Maar laten we eerlijk zijn: de afgelopen jaren is er een buitenissige wildgroei ontstaan van poëzie in de openbare ruimte. Het begon met de muurgedichten in Leiden. Een mooi initiatief. Is het niet aardig om tussen de patat- en dieselmeur van de Breestraat omhoog te kijken en een gedicht van, pakweg, Neruda te lezen? (Voor de broodnodige ondertiteling is er goddank een website.)

Het kon niet uitblijven dat het idee ook elders aan zou slaan, en zo zijn er tegenwoordig muurgedichten in plaatsen als Haarlem, Den Bosch en Nunspeet. Maar het gaat verder: je kunt onderhand geen wandeling of fietstocht meer maken buiten de bebouwde kom, zonder dat je ook daar met gedichten wordt bestookt. Kademuren, gemalen, tunneltjes en transformatorhuisjes: overal word je om de oren geslagen met goedbedoelde poëzie.

Waar geen muur is worden de gedichten aangebracht op een paneel van plexiglas, of met snijbranders uit een stuk roestig plaatijzer gezaagd. Vooral in natuurgebieden neemt het gênante vormen aan. In hun educatiedrang nemen de beheerders geen genoegen meer met informatieborden over het broedgedrag van de kwak, inmiddels werpen ze zich ook op als ons literair geweten. Zodoende wordt elke rivierdijk, ieder moeras, elke veenweide voorzien van een gedicht. Het is een dwangneurose.

Vaak betreft het een hoogdravend poëem van de lokale verzensmid. (Dat de dichter hiervoor op z'n hoogst een bos bloemen ontvangt spreekt voor zich: gedichten zijn per definitie gratis. De échte kluiten zijn inmiddels overgemaakt aan een beeldend kunstenaar, voor de bronzen sculptuur van altijd weer dezelfde polderwerker, of een abstracte installatie die zachtjes klingelt in de wind.) Het is ook niet ongebruikelijk dat er een min of meer toepasselijk gedicht van Herman Gorter, Hans Andreus of Ida Gerhardt tegenaan wordt gekwakt.

Die gedichten moeten voldoen aan een aantal strikte voorwaarden. Ten eerste moet sprake zijn van wind en wolken. Als er een waterpartij is worden de wolken geacht zich daarin te spiegelen. Er moeten bomen zijn, of op z'n minst rietkragen, die kunnen ruisen of wuiven, liefst met hun pluimen. Natuurlijk is ook aan de fauna gedacht: bij voorkeur vogels, die een gevoel van ruimte en vrijheid moeten vertegenwoordigen. Merk op dat die vogels altijd zwanen zijn, nooit eenden.

Maar moeten we niet blij zijn? Zie je dan liever reclameborden? Is het niet juist geweldig dat poëzie op zo'n positieve en grootschalige wijze onder de aandacht wordt gebracht? Nee. De versjespest die onze buitengebieden teistert, leidt tot een gevaarlijke inflatie van de poëzie. Van de natuurbeheerders die de gedichten plaatsen (en de recreanten die ze lezen) zijn er maar bar weinig die af en toe een bundel openslaan, laat staan dat ze er een zouden kopen. Het is het literaire equivalent van 'nieuwe natuur': een halfhartig goedmakertje, een schrale compensatie voor het pathetische, vrijblijvende en demotiverende poëzieonderwijs op de scholen, voor het volkomen gebrek aan belangstelling dat ze in hun dagelijks leven tonen voor dichters en hun werk.

Het heeft iets streberigs: niet alleen worden we geacht om er zoiets als een 'natuurbeleving' op na te houden, we moeten daarbij ook precies het juiste gedicht lezen, om vervolgens met een plechtig gezicht te kunnen vaststellen dat de pluimen inderdaad wuivend ruisen en dat, kortom, alles naar behoren verloopt. Dat soort sturing is nergens voor nodig. Het is arrogant en opdringerig. Donder op met je perspex panelen. Bespaar ons je lyriek. Dat die wolken zich spiegelen zien we zelf ook wel. Of misschien zien we iets heel anders, zullen we dat zelf nog eens weten? Steek dat belerende vingertje in je reet en laat de mensen ongestoord van de natuur genieten. Dan maken we er zelf wel poëzie van.

En laat goddomme ook die muren een keer met rust. Soms zegt een baksteen meer dan duizend gedichten.



(Verschenen als column op Pomgedichten, maandag 4 april.)

maandag 29 februari 2016

Luyckx


Naarmate je ouder wordt, komen onwrikbare zekerheden meer en meer op losse schroeven te staan. Van mijn eerste reis naar Polen herinner ik me dat ik verrast was omdat er bomen groeiden, bloemen langs de weg stonden en de huizen bont geschilderd waren. In mijn verbeelding speelde het hele leven in het Oostblok zich af in zwart-wit. Kleuren had ik me er niet bij voorgesteld.

Natuurlijk werd dat vooroordeel vooral bepaald door televisie en films. De beelden die ons van Oost-Europa werden voorgeschoteld, waren zonder uitzondering grauw en duister. De vervallen straten en lugubere prefab-flats (Slotermeer, iemand?) werden over de volle breedte van het scherm uitgesmeerd. Opvallend is ook dat de beelden zonder uitzondering in een urbane setting waren geschoten: een platteland van golvend graan en blozende boerinnen leek alleen in Sovjet-propaganda te bestaan.

Natuurlijk waren (en zijn) er in Oost-Europa voldoende grauwe, vervallen straten te vinden (in Glasgow en Detroit heb je die niet), maar zelfs in de donkerste Brezjnev-jaren was het er niet het monochrome maanlandschap dat we op de buis te zien kregen. De voor de hand liggende conclusie is dat ook aan onze kant van propaganda sprake was.

Een van de grote kampioenen van dit soort hersenspoeling was onze economieleraar, dhr. Luyckx. Hij was een uilskuiken zonder weerga, van lesgeven had hij geen kaas gegeten. Daarom besteedde hij een groot deel van zijn tijd aan zeiken tegen leerlingen (en collega’s) met progressieve opvattingen.

Hij was een keertje, jaren geleden, in de DDR geweest. Met zichtbaar genoegen vertelde hij zijn spookverhalen over lange rijen gedesillusioneerde huisvrouwen voor winkels met halflege schappen, waarin enkel inferieure producten lagen. Boven die rijen hingen onveranderlijk grote rode spandoeken met propagandaleuzen.

Vanwege zijn persoonlijke voorkeuren was hij zeer bevreesd voor een communistische inval. ‘Ooooo! Als de Russen kooooomen’, oreerde Luyckx, ‘dan zetten ze mij als eeeeerste tegen de muuuuur!’ Blijkbaar besefte hij niet dat hij ons met die belofte recht in de armen van de marxistische heilsleer dreef.

Zou hij nog leven, onze Luyckx? Dertig jaar na zijn stichtende betogen moet ik soms aan hem denken. Vooral wanneer ik zie hoeveel van zijn socialistische nachtmerrie inmiddels alledaagse praktijk is geworden. Niet in Irkoetsk of Bratislava, maar gewoon in Bos en Lommer.

Halflege schappen, inferieure producten, rode spandoeken met wervende leuzen: ze zijn er allemaal. Toch moeten we de directie van Dirk van den Broek nageven dat het een gouden idee was om de lange rijen gedesillusioneerde huisvrouwen te overdekken, en hun dystopische winkelervaring een ‘supermarkt’ te noemen. Dergelijke vooruitgang moeten we zonder meer op het conto van het kapitalisme schrijven.

In een vlaag van Ostalgische nieuwsgierigheid ben ik laatst weer eens bij Dirk wezen kijken. Stiekem hoopte ik er een pot Spreewaldgurken te vinden. Of Bautzener Senf. Of Kofola. Maar Luyckx heeft gelijk gekregen: het was allemaal niet te krijgen.

maandag 15 februari 2016

Het Patatincident (Eijlders op Pad in Gent)



(Foto: Gust Peeters)

Er zijn dingen die je in Nederlandse geschiedenisboekjes niet leest, maar die in Vlaanderen op elke basisschool worden onderwezen. We schrijven 1830, de Belgische opstand. De legers van koning Willem I rukken op tot bij Brussel, om de muitende Belgen een gedenkwaardig pak op hun barstjansen te geven. Net op het moment dat dat aardig schijnt te lukken zegt prins Frederik tegen z’n broer: ‘Weet je wat, die Baron Chassé redt zich wel, wij gaan lekker een patatje halen!’

De negentiende-eeuwse dichter Marnix van Wytegaarde beschreef het voorval als volgt:

Zoo toogen zy, loyaal tot op ’t bot,
Gearmd naar ’t naastbyzynde frietenkot,
Was ’t Vaderland verdrietelyk verrascht:
Gent was verloren, Antwerpen in last!


De rest van het verhaal is bekend: de prinsen moesten, de mayonaise nog in de bakkebaarden, schoorvoetend aan hun vader gaan vertellen dat de grens voortaan bij vlak bezuiden Breda lag, Frankrijk lag ineens 150 kilometer verder, talentvolle architecten trokken massaal naar het noorden en dichtmiddagen groeiden uit tot evenementen van internationale allure.

Deze historische gebeurtenis werd gisteren dunnetjes overgedaan in Gent. Nog eer de eerste Nederlands-Vlaamse dichtmiddag goed en wel op gang was, riep een zekere Pommes W.: ‘Weet je wat, die Wijtgaard redt zich wel, wij gaan lekker een patatje halen!’, waarop de harde kern der Eijldersdichters op collegiale wijze de deur van café Le Bal Infernal achter zich dichttrok en zich, onder aanvoering van een ter plaatse bekende dichter en publicist, naar het dichtstbijzijnde frietkot spoedde.

Zodoende stond Wijtgaard er bijna alleen voor, tegen een horde wel zeer oproerige Vlamingen. Dat het allemaal toch nog goed afliep kwam door de rustgevende aanwezigheid van Paul Lokkerbob, die als een van de weinigen het uitstekend Belgisch bier moest laten staan (Paul bedankt, Paul bedankt, Paul, Paul, Paul bedankt), en door de stille diplomatie van Erika De Stercke, die bij haar volgende bezoek aan Amsterdam het Groot Ridderkruis van de Orde der Eijldersdichters opgespeld zal krijgen, inclusief alle bijbehorende versierselen.

Het was, kortom, gezellig. We hebben ons geen seconde verveeld. Daar was ook geen tijd voor. Er was niet eens tijd voor frites. Maar gelukkig was er mooie poëzie. En er waren boeken. En bier, veel bier. Het was de 440 kilometer rijden door het beestenweer, met lauwwarme koffie op ijskoude tankstations, meer dan waard. Al kwam de uitgelaten schoolreisjesstemming in de gehuurde bus maar moeizaam op gang, wellicht was de broeierige stilte tussen Wolff en Heij daar debet aan. Maar laten we niet stoken in een goed huwelijk.

Over stoken gesproken, tussen de vuige nevels en miezerregen van de veertiende februari leek het nog warmer dan het al was bij Le Bal Infernal. In combinatie met de Gruut Inferno, die we aan de Leie zijn wezen drinken, de acht of negen zware streekbieren die we achterover sloegen, alsmede de benevelende werking van de gedichten (staan onze zuiderburen immers niet bekend om hun voorliefde voor surrealisme?) leidde dat tot milde hallucinaties. Nee. Is er echt iemand helemaal van Vlieland naar Gent gereisd? Hebben we echt een wolf zien knielen achter een hond, tussen torren, beren, veen, hei en vijf eiken? Of maakt ons brein nu gevaarlijke kortsluiting?

In elk geval dank aan onze gastheren en -vrouw Bert Deben, Erika De Stercke, Philip Volckaert, Gust Peeters, Hubert Samson en Pierre Plum, en ook aan de organisatoren aan de Eijlderskant, Paul, Kees, Aurora, Mieke en Willem. Het was, als we het erotomane jargon van Kees G. mogen hanteren, een gedenkwaardige eerste keer. Bij de returnmatch mag Vlaanderen Boven.

maandag 25 januari 2016

Mayerling


Het is een bekend gegeven: banken vergaren steeds meer geld. Zoedoende raken ze langzaam vol. Daarom moeten ze, net als gewone stervelingen, af en toe grote schoonmaak houden en ruimte scheppen. Afgelopen zomer werd bij zo'n opruimactie in de Schoellerbank, niet ver van de Weense Hofburg, een leren map gevonden met Lebensdokumente, brieven en foto's van de familie Vetsera. De vondst leidde in Oostenrijk tot een kleine sensatie, want de band, die in 1926 'door een onbekende persoon' werd gedeponeerd, bevatte de verloren gewaande afscheidsbrieven van barones Mary von Vetsera, de 17-jarige maîtresse van de Oostenrijkse kroonprins Rudolf.

Mary en Rudolf sloten in 1889 een mysterieus zelfmoordpact dat de geschiedenis is ingegaan als het Mayerling-incident of het Mayerlingdrama*, naar het jachtslot waar het tweetal dood werd gevonden. Je zou kunnen zeggen dat de dubbele zelfmoord een keerpunt in de geschiedenis betekende. Rudolf was de enige zoon van keizer Franz-Joseph, waardoor de troonopvolging drastisch op de schop moest. Denk nou niet dat er ineens een zus van Rudolf op de troon zou komen: in eerste instantie werd Rudolfs oom naar voren geschoven, en in 1896 zijn volle neef Franz-Ferdinand, die op zijn beurt in 1914 werd vermoord, wat de min of meer rechtstreekse aanleiding werd voor de eerste wereldoorlog.

Het Mayerling-incident is niet alleen door zijn politieke 'consequenties' interessant. Vermoedelijk was het de eerste keer dat een gebeurtenis aan het hof op zo'n grote schaal leidde tot wilde speculaties. Rudolf leed al langer aan Stimmungsschwankungen. (Hij schijnt een maand eerder zelfs een soortgelijk zelfmoordpact te hebben voorgesteld aan de actrice Mizzi Kaspar, zijn andere minnares.) Algemeen wordt aangenomen dat hij eerst de barones een kogel door het hoofd joeg en daarna zichzelf.

Toen het stel eenmaal gevonden was, werd van alles in het werk gesteld om het schandaal te verbergen. In het holst van de nacht werden Mary's ooms opgetrommeld om haar lijk zo discreet mogelijk te verwijderen. Volgens de overlevering werd ze tussen haar ooms in een rijtuig gezet, met een bezemsteel in haar jasje zodat ze rechtop zou blijven zitten. Ze werd in allerijl begraven bij de Cisterciënzer abdij in Heiligenkreuz.

Het lichaam van Rudolf werd opgebaard in de Hofburg. Volgens de officiële lezing was hij overleden aan een hartstilstand. Dat bleek lastig vol te houden toen buitenlandse journalisten de ware toedracht van zijn dood ontdekten. Het heeft nog flink wat moeite gekost om de zelfmoordenaar in de gewijde keizerlijke grafkelder te laten bijzetten. Uiteindelijk moest er een dispensatie van het Vaticaan aan te pas komen, waarin werd verklaard dat hij 'geestelijk onevenwichtig' was.

Het geheimzinnige gedoe rondom het incident leidde tot een stortvloed van complottheorieën die amper uit elkaar te houden zijn. Moord, zelfmoord, een fatale ruzie, een mislukte abortus, een vergiftiging - er is zelfs een versie van het verhaal waarin de kroonprins en zijn vriendinnetje door vrijmetselaars zouden zijn omgelegd. Het graf van Mary werd nog driemaal geopend. De laatste keer, in 1991, gebeurde dat illegaal door een zekere Helmut Flatzelsteiner**, een meubelhandelaar uit Linz, die op eigen houtje een sectie op het skelet liet uitvoeren.

Door de vondst van de brieven lijkt de algemeen aanvaarde moord-zelfmoordlezing te worden ondersteund. Wie niet gelooft in een fatale combinatie van romantische Schwärmerei en mentale instabiliteit komt met de brieven zelf niet heel veel verder. Het zijn maar een paar gehaaste kladjes, met hier en daar een spelfout, op briefpapier van het jachtslot:

'Liebe Mutter - Verzeih mir was ich gethan. - Ich konnte der Liebe nicht wiederstehen. In Übereinstimmung mit Ihm will ich neben Ihm im Friedhof von Alland begraben sein. - Ich bin glügklicher im Tod als im Leben.'

Van het Habsburgse keizerrijk is niet veel meer over dan een kleine republiek. Het keizerlijk huis is gereduceerd tot een familie van adellijke politici en zakenlui. Rudolfs vrouw Stéphanie, met wie hij een opgedrongen en ongelukkig huwelijk had, hertrouwde in 1900 en is in Hongarije begraven. Er lijkt geen gegronde reden te zijn om Mary's laatste wens niet alsnog te respecteren. Maar het kerkhof van Alland wacht nog steeds op de illustere gasten.

*) Voor de liefhebbers van Elsschot voegen we daar nog aan toe: Mayerlingdraak, Mayerlingkwestie, Mayerlingroman, Mayerlingbeproeving, Mayerlingwond.
**) Ik kan het ook niet helpen.
 

Mayerling (II)

Om met de grote jongens mee te spelen
moet je je laatste woorden redigeren,
we hebben in de slotscènes geen tijd
voor toespraken op handgeschepte vellen.

We moeten aan je recensenten denken
die, in geairconditionede archieven
op zoek naar wat warmbloediger vermaak,
verlekkerd grutten in je afscheidsbrieven,

geërgerd je gehaaste krabbels spellen,
ze gul voorzien van rode potloodstrepen,
en zure [sic!]jes in de kantlijn schrijven,
die met hun smetteloos geschoeide jatten

nog pulken aan een slecht genezen wond
en zullen blijven spitten in het gat
waarin je met een bezem in je lijf
bent weggemoffeld als een dooie hond.

maandag 4 januari 2016

Weg met nieuwjaarsdag!


Het is te hopen dat u een gezonde slaper bent. Zo niet, dan kent u ze ongetwijfeld. Omdat er in geen enkele taal een woord voor schijnt te wezen noemen we ze, met uw welnemen, De Spoken van Vier Uur. Het zijn de kwelgeesten waarover Bloem het heeft:

Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood


De Spoken schijnen een voorkeur te hebben voor de nanacht, de uren vlak voor zonsopgang. In de geest van de rechtgeaarde insomniac wakkert het minste kuchje aan tot open TB, wordt ieder spierpijntje opgeblazen tot een tumor zo groot als een tennisbal en leidt de aanschaf van een iets te duur boek tot een budgettair Tsjernobyl, met verlies van have en goed als gevolg. Uren later, wanneer het daglicht door de ramen valt, een hete douche en dito koffie hun stichtende werk hebben verricht, blijkt het allemaal best mee te vallen. De kuchjes zijn verdwenen. De tumor wordt een maandje uitgesteld. Met een beetje mazzel komen er zelfs nog flappen uit de automaat.

Uiteindelijk went alles. Als je het riedeltje met die Spoken zo'n vier à vijfduizend keer hebt afgedraaid kun je ze begroeten als oude bekenden. Word je in het holst van de nacht geplaagd door hypochondrie, paranoïa of pessimisme, dan volstaat een blik op de wekker. Je zult zien dat het vier uur is. Ja hoor, daar zijn de Spoken weer. Kom erin Spoken, pak een stoel, bouw een mooi feessie. Ondertussen draai je je nog even om en slaapt lekker verder tot de wekker gaat. Natuurlijk: op een dag ben je werkelijk de klos, krijg je die beroerte of dat gezwel. Tegen die tijd is het vroeg genoeg om je sappel te maken.

Met oud en nieuw is iets soortgelijks aan de hand. Natuurlijk kun je jezelf wijsmaken dat nieuwjaarsdag een vrijdagmorgen is als alle andere. (Zeg eerlijk: hoe vaak heb je jezelf op, laten we zeggen, 1 oktober pas rond vier uur 's middags horen opmerken: 'Hee kut, het is alweer oktober joh!') Maar de traditie wil dat we tussen december en januari een mentale cesuur aanbrengen die we, godbetert, ook nog moeten gebruiken voor contemplatie en evaluatie. Helaas hebben we daarvoor rond de kerstdagen alle tijd. Als je een beetje pech hebt woon je zelfs op het noordelijk halfrond, en ben je voor die bespiegelingen aangewezen op de donkerste periode van het jaar.

De gevolgen liggen voor de hand. Bij het evalueren van het oude jaar worden de mislukkingen en niet gehaalde doelen uitvergroot tot bovenmenselijke proporties. En in de schemer van een decembermiddag lijkt het nieuwe jaar griezelig lang en onheilspellend. Breed grijnzend, flûte in de hand, wensen we elkaar een gelukkig nieuwjaar en denken ondertussen: in tyfusnaam, laat dit niet het jaar zijn van het massieve infarct, het fatale ongeluk, van de echtscheiding of het niet-zo-leuke-nieuwtje van de oncoloog.

Tot overmaat van ramp is de eerste januari een vrije dag. Een van de weinige vrije dagen, ook nog, waarop het hele openbare leven stil ligt, de consumptiemolen stagneert, waarop we bovendien, in het gunstigste geval, onuitgeslapen en mild bekaterd zijn en, kortom, beroofd van alle wapens waarmee we onszelf normaal gesproken besodemieteren. Om Philip Larkin nou maar eens aan te halen, we

[...] sense the solving emptiness
That lies just under all we do,
And for a second get it whole,
So permanent and blank and true.


Kort en goed, die vrije dag op 1 januari, daar zit niemand op te wachten. En om het een feestdag te noemen is helemáál vergezocht. Hebt u ooit op nieuwjaarsdag een popfestival bijgewoond, over een vrijmarkt gestruind of deelgenomen aan reidansen en defilé's? Nee. Net als ieder ander ligt u op 1 januari te lang in bed, verveelt u zich de pleuris en bent u maar wat dankbaar zodra de tredmolen weer begint en er geen tijd meer is voor morbide overwegingen. Laten we de vrije nieuwjaarsdag inleveren en er een mooie, zonnige voorjaarsdag voor in de plaats nemen. Natuurlijk, het is vervelend om met een katertje naar de zaak te gaan. Maar dat doet u op 28 april immers ook, en geen baas is ooit op het idee gekomen om dáárvoor een vrije dag te geven.

Nieuwjaarsdag

Zo'n nieuwjaarsdag is zonde van de tijd,
een dag van vuile nevels, sneeuw of regen,
om katerig de asbakken te legen,
je te wentelen in ledigheid

en, alle goede voornemens ten spijt,
nog éénmaal tot bij drieën uit te slapen
om niet meteen met Wenerzangerknapen
of schansspringen te worden gekastijd.

De nieuwsdienst blijft de hele dag gewijd
aan dronkenschap en afgerukte handen,
uit de hand gelopen kerstboombranden,
vuistgevechten en losbandigheid.

Geen postbode, geen krant bij het ontbijt,
ook buiten is het somber en verlaten:
oud glas en rode modder in de straten;
de buurman is zijn Duitse herder kwijt.

Een feestdag zonder vreugde of jolijt,
een dag voor slappe thee en aspirine.
een dag om stilletjes te zitten grienen:
zo'n nieuwjaarsdag is zonde van de tijd.

maandag 21 december 2015

Fruit



De badkamer van een man is een oase van eenvoud. Op de wastafel vind je wat scheerspullen, een tandenborstel, tandpasta en een busje deodorant, in de douchecel shampoo en badschuim, vaak in één fles. Hier en daar zwerft een kam, soms zelfs een nagelschaar, en wanneer een vent eens per week z'n sokken wast en af en toe een schone onderbroek aantrekt gaat-ie al snel door voor een verzorgde man.
Bij vrouwen gaat het er minder overzichtelijk aan toe. Op plankjes, in kastjes, onder de douche: elke vierkante centimeter wordt in beslag genomen door een barokke verzameling potjes, tubes, flesjes, doosjes, zakjes, spuitbussen, verstuivers, stiften, sachets, rollers, blikjes en flacons. Vrouwen vinden in deze doolhof schijnbaar moeiteloos hun weg. Een man kan het maar beter niet proberen. Niet alleen hebben we van damesverzorgingsproducten geen sjoege, bovendien veroorzaakt de geringste aanraking van zo'n potje of flesje een enorme lawine, waardoor je niet alleen de hele verzameling cosmetica, maar ook de gramschap van je vriendin over je heen krijgt.

Waarvoor hebben ze al die rotzooi nodig? Waarom worden er bij Etos hele kubieke meters plankruimte opgeofferd aan 'damesgeuren' (een woord, tussen haakjes, dat associaties oproept die met cosmetica geen donder te maken hebben), en passen de verzorgingsproducten 'for men' met gemak in een verloren hoekje achter de condooms? Nog een vraag: waarom nemen vrouwen geen genoegen met zoiets simpels als 'zeep', 'shampoo' of 'lotion'? Waarom moeten al hun verzorgingsproducten worden opgeleukt met ingrediënten die je eerder op de fruitmand dan in je badkamer verwacht? Een snelle inventarisatie van een willekeurige damesbadkamer levert verbluffende combinaties op: douchecrème met hazelnoot, douchegel met wilde abrikoos, hydraterende bodymilk met kokos, shampoo met appel, scrubgel met kersen, conditioner met walnoot, crèmespoeling met amandel, nachtcrème met zomertarwe en kleimasker met yoghurt en havermout*. Dat is geen persoonlijke verzorging meer! Dat is muesli!

We moeten constateren dat er sinds de zondeval niet veel veranderd is. Vrouwen laten zich nog steeds verleiden met vruchten. En de slang is nog altijd de listigste van de dieren des velds, al draagt 'ie tegenwoordig het maatkostuum van de gladde marketingjongen. In die hoedanigheid heeft hij een parallel universum geschapen, waarin aan domme stukken fruit de meest bizarre eigenschappen worden toegekend. Het begon in de late jaren zeventig, met nogal expliciete reclamefilmpjes over 'de wilde frisheid van limoenen'. Goed. Dat limoenen fris zijn zal niemand betwisten. Maar wild? De meeste limoenen liggen maar zo'n beetje te suffen op de aanrecht. Zonder te loeien, blaten of mekkeren laten ze zich uitpersen of in stukken snijden. Heb je ooit een limoen z'n tanden in een postbode zien zetten? Nee zeker?

Je zou denken dat iedereen zulke nonsens doorziet. Je zou denken dat zo'n campagne nooit lang kan duren. Maar dan heb je buiten vrouwen gerekend. Zo vlijmscherp als ze zijn, wanneer het erom gaat hun vent te betrappen op sporen van overspel en kroegbezoek, zo boterzacht worden ze van een geraffineerde advertentie. En daarom worden er elke avond hele reclameblokken volgeleuterd over de revitaliserende werking van grapefruit, het sensuele effect van meloen en de rustgevende kracht van mandarijnen.

Damesbladen maken het nog veel erger. In het ene artikel beweren ze dat de kilo's eraf vliegen wanneer je niets anders eet dan fruit, twee pagina's verder schrijven ze - zonder met hun ogen te knipperen! - over hoe vóedzaam appels, kiwi's en druiven zijn, zolang je ze maar in je haar smeert. En vrouwen slikken het allemaal als zoete koek.

De enigen die van de zondeval iets lijken te hebben geleerd zijn mannen. Die raken sinds Genesis 3 geen fruit meer aan. En omdat het moeizaam variëren is op steeds hetzelfde thema van zeep, shampoo en aftershave, blijft cosmetica voor mannen beperkt tot een paar basisproducten, waarop de overbodige toevoeging 'for men' is afgedrukt. Er wordt wel eens voorzichtig geprobeerd om mannen aan gezichtscrème en bodylotion te helpen, maar echt lukken wil het niet.

Is het dan helemaal onmogelijk om een uitgebreide verzorgingslijn voor heren op te zetten? Tuurlijk niet! Maar kom niet aan met allerhande fruitige geurtjes. En al helemaal niet met waanzinnige claims over verjongende perzik en vochtinbrengende ananas, want daar trappen we niet in. Mannen zijn net als vrouwen gevoelig voor leugens, maar het moeten wel plausibele leugens zijn. Dus zodra een cosmeticagigant komt met een herenlijn, gebaseerd op de voedzame werking van tosti’s en de vochtinbrengende eigenschappen van water, beloven we dat we voor de bijl gaan. Zodra de Etos shampoo verkoopt met de kalmerende invloed van oude jenever, scheerzeep met het rustgevende effect van zware shag en aftershave met de vitaliserende kracht van zwarte koffie, zullen we graag wat extra planken in onze badkamers aanbrengen.

Al gaan we eerst nog wel even een nieuwe boormachine kopen.

*) Dit is, lezer, een wetenschappelijk verantwoorde, op feiten gebaseerde weerslag van de genoemde inventarisatie. Er is geen woord van overdreven.


Le jour avance un peu
mon amour se maquille
Un œil et puis les deux
c'est futile mais ça brille

Qui veut-elle séduire ?
Je suis même pas là
Je me tue à lui dire
qu'elle est mieux sans tout ça

Que ses yeux sont plus clairs
quand ils sont dans ma poche
et que vouloir trop plaire
C'est le plaisir des moches


Renaud - La pêche à la ligne


https://www.youtube.com/watch?v=pX5zqp0fFdM

maandag 7 december 2015

Live Fast, Die Old


Het is een prachtcliché: wanneer een kunstenaar te jong aan z'n einde komt, wordt vroeg of laat gevraagd welke meesterwerken ons door de neus zijn geboord. Niemand betwijfelt dat ieder nieuw album van Jeff Buckley fenomenaal zou zijn geweest. Marilyn Monroe zou zijn uitgegroeid tot de grand old lady van de Amerikaanse cinema. En hoe lang zou de verbouwing van het Van Goghmuseum hebben geduurd als Vincent de tachtig had gehaald?

Je kunt de vraag ook omkeren. Gek genoeg gebeurt dat zelden. Zou Rimbaud, als hij na z'n negentiende nog een letter op papier had gezet, niet stomweg zijn vergeten? Zouden Hendrix' gitaarstormen zijn geluwd tot Santana-achtige windjes? Zou Keith Haring zijn ontmaskerd als een neurotische, zichzelf herhalende kriebelaar? Geen hond vraagt het zich af. Er wordt achteloos aangenomen dat ze hun hele leven jong & geniaal zouden zijn gebleven.

Te vroeg gestorven artiesten worden bij overlijden gecanoniseerd en blijven vanaf dat moment bevroren onder een stolp. Buiten loopt de tijd gewoon verder. We worden ouder, krijgen kinderen, maken vergissingen, lezen boeken en vechten oorlogen waar we twintig jaar geleden niet eens van droomden. Maar John Lennon blijft ons wollig aanstaren vanachter dat brilletje. Sylvia Plath, voorgoed opgesloten in haar rol van bedrogen, depressieve huismoeder, is al een halve eeuw een feministische martelares. John Keats zal voor eeuwig een thing of beauty blijven.

Niemand wil geloven dat Jim Morrison, op zijn veertigste, strontvervelende prog-rock zou zijn gaan maken. (Twee woorden, mensen: Ray Manzarek.) Niemand kan zich James Dean op z'n vijftigste voorstellen - als een soort vette Marlon Brando. The horror! The horror!

Dan hebben we het nog niet gehad over de middelmatigheid die we van jong gestorven helden tolereren. Sid Vicious, een van de beroemdste bassisten van de jaren '70, kon zijn instrument amper vasthouden. Jotie T'Hooft heeft heel mooie gedichten geschreven, maar veel van zijn werk zou bij elke consciëntieuze uitgever in de papierversnipperaar zijn beland. Nick Drake zou zijn afgeserveerd als een saaie neuzelaar, als 'ie zich niet op zeker ogenblik had volgeduwd met pillen.

Voor kunstenaars met wat meer, euh, zitvlees moet het wel eens frustrerend zijn. Die arme Tolstoj heeft zich tot z'n 82e het lazarus moeten schrijven, terwijl Emily Brontë op een voetstuk staat, allemaal op het krediet van één enkele roman. Over het latere werk van Vasalis wordt vaak meewarig gedaan, maar als ze op haar 46e was gecrepeerd was ze onaantastbaar geweest. Als David Bowie een keertje een zwakke plaat maakt vallen de critici over hem heen, terwijl Kurt Cobain al na 27 jaar en drieënhalve plaat van het gezeik af was. Wie heeft hier nou de wereld verkocht?

Al met al kun je maar het beste een laatbloeier zijn. Het heeft een hoop voordelen. Niemand zet je onder druk om je vroege werk te evenaren. Je kunt tientallen jaren blijven dagdromen over een schitterend debuut. Je kunt je jeugdzonden zelf in de open haard mikken, voor ze in handen vallen van geldzuchtige uitgevers of platenbonzen. En je wordt nog lekker oud op de koop toe.


Meubilair

Het achteloze savoir-faire
waarmee een man van zestig jaar
een opdracht op het schutblad krast
gaat hem nog niet zo lekker af,

nu plotseling, zoals dat heet,
'een nieuw publiek zijn werk ontdekt'
en hij na jaren lauw applaus
probleemloos volle zalen trekt,

nu vier decennia te laat
zijn jongensdroom bevredigd wordt
door een gehoor van jonge vrouwen
dat Stimorols zit bloot te kauwen

en in de leuke startersflat
zijn bundel op het plankje schikt
tussen de ansicht van Doisneau
en het cd'tje van Piaf.

Nu enkel nog de Rietveldstoel
en het is af.

maandag 23 november 2015

Oorlogshonden



We gaan dood. Niks nieuws onder de zon. Sinds het ontstaan van de mensheid zijn een dikke tienduizend generaties ons voorgegaan. Toch kunnen we er maar niet aan wennen. De wetenschap verandert daar niks aan. Naarmate we onze levensverwachting tot absurde proporties oprekken, wordt het einde almaar confronterender.

Het gevolg is dat onze rouwrituelen langzaamaan een potsierlijk karakter krijgen. Vooral wanneer het sneven plotseling en massaal is. Een tros witte ballonnen in Parijs, knuffels en zonnebloemen, stille tochten, 'Imagine' in de hal van het Centraal, de ganzenpas van Russische soldaten, een toespraak van Mark Rutte op 4 mei - de Dood jaagt als een rover door het land, met Kolder als een aapje op z'n schouder. Het kan nog erger.

Het meest groteske oorlogsmonument ter wereld is misschien het Ossuaire de Douaumont. Het werd geopend in 1932, zestien jaar na de slag om Verdun. Het kolossale gebouw ligt zes kilometer ten noorden van die stad. Voor de deur liggen 16.142 Franse soldaten in keurige rijtjes begraven. Maar in het gebouw zelf liggen de botresten van 'environ' 130.000 onbekende soldaten, Fransen én Duitsers, door de geschiedenis broederlijk op een hoop gekwakt. Door 46 ruitjes, die in de loop van de tijd een beetje vettig uitgeslagen zijn, sta je oog in oog met massieve hoeveelheden botten, ribbenkasten en schedels van Boches en Poilus.

Wordt de dood hier verheerlijkt of verfoeid? Je komt er niet achter. Het ossuarium is een tweeslachtig monster, dat balanceert tussen patriottisch militarisme en het geïnstitutionaliseerd pacifisme dat vlak na de eerste wereldoorlog opgeld deed: 'Plus jamais la guerre!', 'Nie wieder Krieg!'. De 46 meter hoge toren, voorzien van roterende schijnwerpers die 's nachts de slagvelden belichten, steekt als een joekel van een vinger de lucht in. Duitsers noemen zoiets een 'Mahnmal', een term die in onze taal ontbreekt. (Natuurlijk zou je het woord 'manument' kunnen verzinnen, maar laten we Kees van Kooten niet het gras voor de voeten wegmaaien.)

Het andere uiterste vinden we dichter bij huis. Op de Utrechtse Heuvelrug ligt, in een mausoleumpje ter grootte van een garage, de laatste Duitse keizer. Het geval bevindt zich in de tuin van Huis Doorn, waar Kaiser Wilhelm zijn jaren in ballingschap sleet. Nog jaarlijks komen Duitse monarchisten er op zijn sterfdag bij elkaar. Af en toe komt een achterkleinhohenzollern de bloemen verversen. Verder ligt de keizer daar alleen.

Nou ja, niet helemaal alleen. In het grasveld voor het mausoleum, op gepaste afstand van 's keizers tenen, liggen vijf kleine grafstenen. Niet van zijn kinderen, zijn vrouwen of zelfs van zijn adjudanten, maar van de vijf dashondjes die hem in Doorn gezelschap hielden. Wie door de ruitjes van Douaumont gekeken heeft, kan de ironie niet ontgaan. Keurig in het gelid liggen ze daar, met militaire eer lijkt het, en in het midden, onder de vleugels van een grote bronzen adelaar, het lievelingsteckeltje van de keizer:

'Die treue SENTA 1907 - 1927 Begleitete Seine Majestät den Kaiser im Welt Kriege 1914-1918'


Twintig jaar, voor een dashond is het een hele leeftijd. De Frontschweine van Verdun mochten hun handen dichtknijpen als ze het haalden.


Senta

Al worden ze wat lager aangeslagen
dan koppelriemen en geroeste kruizen,
hun botten worden na een dikke eeuw
nog af en toe door ploegscharen geschud.

Door duizendponders uit elkaar gerukt
verbroedert het verstookt kanonnenvlees,
los gestort per kuub in knekelhuizen
en greppels bij Diksmuide of Douaumont.

De meer getalenteerde oorlogshonden,
die onder nederlaag en muiterij
stram in de houding pootjes bleven geven,
volgden de drilsergeant in ballingschap

om ongeschonden, ver achter het front,
nog één keer op commando om te rollen
en onder een gemanicuurd gazon
mooi dood te liggen in neutrale grond.